Hemels wit laat ons de hel zien
Zelden een weersfenomeen gezien dat enerzijds tot één van de koudste kan worden gecatalogeerd, anderzijds een zekere warmte en een gevoel van samenhorigheid en gezelligheid kan opwekken: sneeuw. Als stukjes geraspte wolk naar beneden dwarrelend, net zo stil als een veldmuis in een lege concertzaal, de vervolmaking van het aloude kerstcliché.
Ik herinner het mij nog goed welke vreugde deze winterse traktatie naar boven bracht in me, toen ik als kind 's morgens verrast werd door het verbleekte landschap dat mijn slaapkamerraam decoreerde. Het was alsof de witte gloed als een empirisch feit garant stond voor puur, kosteloos volksvermaak. Warm ingeduffeld en gewapend met louter mijn eigen fantasie, ging ik de sneeuw te lijf. Sneeuwballen maken en, als het even kon, al jennend gooien naar vrienden en omstaanders. En als een extra muts en sjaal voorhanden waren, werd de sneeuw omgetoverd tot een vreemd yetietje dat enkel kon verklaard worden als abstracte kinderkunst.
Sneeuw staat bij miljoenen kinderen gelijk aan spel en plezier. Wat een schril contrast met het tegenovergestelde gevoel dat sneeuw opwekt bij de meeste volwassenen, wanneer ze op gelijkaardige manier 's morgens ontwaken en een eerste blik werpen door hun raam. In slechts een fractie van een seconde dienen verschillende emoties zich aan, waarbij nervositeit de meest prominente is. Bij de meeste onder ons staat sneeuw immers synoniem voor ellende in het verkeer. Hoe zal de sneeuw mijn dag beïnvloeden? Zal ik wel op tijd op mijn werk aankomen en ben ik straks weer op tijd terug voor die ene persoonlijke afspraak? Vragen die niet wenselijk zijn op een nuchtere maag en voor het eerste bakje troost.
In ons land kan sneeuw een sluwe plaaggeest zijn. Als een dief in de nacht nestelt het zich als een laag kattenkwaad op ons wegdek en verrast het zelfs de slimste weerman. Strooizout maakt geen schijn van kans meer als de sneeuw besloten heeft zich enkele centimeters dik op ons asfalt te stapelen. Het enige wat we kunnen doen is dapper vertrekken, gewapend met onze beste stuurkunsten. Diegene die het privilege van winterbanden niet hebben, zijn er meestal al aan voor de moeite. En als je dan toch thuis kan vertrekken, sta je een tijdje later onverbiddelijk weer stil in een genadeloze stroom van collega-automobilisten.
Na dit noodzakelijk winters kwaad, dat ons de laatste jaren alsmaar meer lijkt te treffen, blijven de gevolgen als een bittere nasmaak achter. Omwille van het zout dat gebruikt wordt om koning winter te bestrijden, wordt het wegdek aangetast en ontstaan er putten en scheuren. We kennen allemaal het maanlandschap waar we tegenwoordig op sommige plekken mee geconfronteerd worden. Dit veroorzaakt dan weer een kettingreactie van ad hoc herstellingen, meer files en politiek gekrakeel. Kortom, lang nadat de witte plaag ons heeft verlaten, lacht het nog steeds heimelijk in z'n vuistje.
En toch hebben we iets met sneeuw. Minstens één keer per jaar draaien we de rollen om. Proactief en geheel vrijwillig trekken wij dan naar de sneeuw, niet omgekeerd, om al skiënd of snowboardend onze semiprofessionele kunsten te tonen. We ploeteren, vallen, glijden en sliden alsof het een lieve lust is. Ach, op dat moment vergeten we alle horror die de witte kapoen ons heeft aangedaan en vergeven we hem alle zonden. Sneeuw staat dan weer garant voor datzelfde plezier en genot als van oudsher en dezelfde gezelligheid achteraf in die stube met een lekkere schnaps.
Althans, die laatste alinea geldt enkel voor sommigen onder ons. Niet voor mij, alleszins. Sneeuw heeft het bij mij definitief verkorven. En als ik daarmee moeder natuur tegen de schenen schop, in deze tijden waar het effenaf hip is om alles te appreciëren wat zij voor ons doet, dan vrees ik dat ik voor één keertje egoïstisch moet zijn. Sorry daarvoor.